Wax

Veren zijn voor vogels van levensbelang. Niet alleen voor het vliegen, veren zorgen ook voor camouflage en isolatie. En met veren kun je pronken! Redenen te over om ze uitvoerig te poetsen, of te soigneren zo de Belgen zo mooi zeggen. Op ieder moment van de dag. Eerst worden stof, vuil en parasieten verwijderd, waarna het verenkleed wordt 'gewaxt' om het soepel en waterafstotend te maken. Het vet hiervoor wordt uit een klier bij de staart gehaald; een manoeuvre die zorgt voor mooie plaatjes! En dan het antwoord op de vraag: het is een ringmus...

Pieperrommel

Ik ken een vogelaar die steevast ‘pieperrommel’ roept wanneer ondefinieerbare bruine vogeltjes zijn pad kruizen. En inderdaad, piepers zijn lastig te determineren. Zeker 'najaarspiepers’ waar vaak smaak noch kraak aan zit. Maar hoe anders is dat in het voorjaar! Neem het pakje van deze boompieper met zijn gedekte bruinen en gelen; dat mag je toch op zijn minst smaakvol noemen. En dan zijn zang! Het treurige ‘piep’ van de winter is vervangen door welhaast nachtegaalachtige strofen, krachtig en melodieus. En opgevoerd in de vlucht, alsof de vogel door zijn eigen tonen omhoog wordt geblazen. En wanneer de klanken versterven in een droefgeestig ‘wee, wee, wee’ laat ook hij zich uit het zwerk val

Koning Huldebiet

Het menselijk brein is een opmerkelijk orgaan, altijd op zoek houvast. Onjuist verstane teksten in (meestal buitenlandse) liedjes of gedichten past het zo aan, dat het voor het verstand weer een soepel geheel wordt. Mondegreen noemen we dit verschijnsel, of Mamma Appelsap. Zo horen we in de toch Engelse tekst van de Lambada heel duidelijk "Waar is toch dat zebrahondje voor?" En ooit vroeg een jongetje na afloop van de hoogdravende versregels ‘Neem mijn stem, opdat mijn lied / U, mijn Koning, hulde biedt’ aan zijn juf “wie is eigenlijk koning Huldebiet?” Hoewel niet alle vogelzang zich in woorden laat vangen, lenen sommige deuntjes zich uitstekend voor zo'n Mamma Appelsapje. Neem de energieke

Ransdief

Ransuilen zijn notoir lastig te vinden. Zeker wanneer ze zich tegen een boomstam hebben geschurkt en je niet meer weet waar de schors eindigt en de uil begint. Maar soms heb je geluk, zoals vanavond. Op buurmans uitnodiging tuur ik tussen de takken van zijn appelboom. En na vier van zijn 'daar's!' zie ik hem ook; dedain neerkijkend op de drukte beneden hem. Vertrouwen doet hij ons allerminst, zijn ogen blijven op ons rusten. Vlammend. Als de schemer invalt, slaat hij zijn vleugels uit. Dan pas valt op hoe rank en slank hij is. En nu zie ik ook waarom een ransuil de 'kiekendief van de nacht' wordt genoemd. Beide soorten delen een ietwat wankelende vlucht, lange vleugels en hetzelfde open jach

Lange tenen, korte lontjes

Explosief typje, de meerkoet. Zeker in het voorjaar, wanneer hij, door hormonen aangewakkerd, bij het minste of geringste in woede ontsteekt. En dat het menens is, bewijst de streep bloed na afloop van dit gevecht op de snavel van de koet die we hier op de rug zien. En niet alleen tegen soortgenoten, een meerkoet is zelfs voor de duvel en zijn ouwe moer niet bang. Heb zwanen besmuikt zien vluchten na een veeg uit de pan van hun zwarte, en tien maal kleinere buurman. Een koet buigt voor niemand!

Recent
Archief