Dag 6: donderdag 22 april 2015

 

 

Hadden we gisteren enkele zekerheidjes ingebouwd met het meer van Metachi en Skala Kalloni, vandaag is succes minder vanzelfsprekend. We trekken het binnenland in en laten ons verrassen. Het reservoir van Perasma, een kunstmeer, is onze springplank. Hier zien we 'onze' grauwe klauwier die, anders dan zijn naam doet vermoeden, beslist niet onder doet voor zijn mediterrane neven. Even later schiet een sperwerachtige vogel door het beeld. Het dier laat zich in een bosje vallen en we pinnen hem vast met onze telescoop: een koekoek.

 

Wij rijden verder en drinken koffie in Mantamados, een traditioneel dorp in het oosten van Lesbos. Hier kopen we brood bij wat wel de moeder aller bakkerijen moet zijn. Zeker vergeleken met het nerinkje van de ‘wiebelende tand’. Hier zijn de vitrines volgestouwd met roombotersoezen, moorkoppen, petit fours, kwarkpunten, bokkepoten en monchouhoorns. We verlaten de winkel dan ook met veel meer ons gebruikelijke halfje bruin. We rijden richting Platina, maar worden staande gehouden door een Griek met buik en bril. Het snijgebaar over zijn keel laat geen ruimte voor frivoliteit. "No pictures, military area."

Hmm, of de Griekse camouflage is van exeptionele klasse, of de man kletst uit zijn nek. We denken het laatste, maar gaan ons weegs.

 

We slaan een zijweggentje in en stiefelen heuvelopwaarts in een halfopen landschap van rotsen, grasvelden en loofbomen. En daar, 10 meter voor onze wagen, zien we een vogel die hoog op ons verlanglijst staat: de hop. Wat toch ook weer een werkwaardig dier met zijn kromme snavel en enorme kuif. Even later vleien we ons neer achter een stenen muurtje en storten ons op de baklava van onze wonderbakker uit Mantamados. Stevige kost; het machtige mengsel van honing en bladerdeeg ligt de rest van de dag als een baksteen op de maag. Herman en Sjoerd maken een ommetje en ik een knipperke. De zon en baklava maken de oogleden zwaar en binnen vijf minuten gaat het licht uit. Als ik ontwaak, hoor ik een meesachtig 'fietspompje'. Het is een rouwmees, een sobere maar fraaie versie ons eigen koolmeesje. Als we weer compleet zijn, trekken we ons met ons karretje terug uit dit prachtige zijweggetje. Tenminste, dat proberen we. Net als een carrosserieverzekering ter sprake komt, is het ‘KLABAM’; een forse steen zit klem tussen wagen en wegdek. Maar na even graven en een beetje gas heeft onze Hyundai heeft weer grip onder zijn wielen. We pakken de draad weer op maar houden halt waneer we een middelste bonte specht een oude eik zien afstruinen. Hier ontmoeten we ook een Engels echtpaar die ons, volgens goed Engels gebruik, enkele uitstekende tips geeft. Op hun advies rijden we richting Napi waar de bomen traditioneel bomvol wielewalen zouden zitten.

 

Wielewalen zien we hier niet, maar wel een steenuil, hop, rouwmezen en veel zingende nachtegalen. Op de terugreis bezoeken we een met Europees geld uit de grond gestampt olijfmuseum en pikken nog even een staartje Kalloni mee. Hier eten we bij een restaurant met een griezelig lange menukaart. Van Amerikaanse aardappelen tot Zamiaanse zalm, alles binnen tien minuten gereserveerd. Het resultaat is navenant, mijn gebakken schol is papperig en smaakloos. Een ‘tourist trap’, we hadden beter moeten weten.

 

Maar toch, een vieze vis kan deze dag niet meer bederven. Het is een heerlijke dag geweest die we thuis bezegelen met een koud glas bier. Omdat de benen flink zijn verzuurd, volstaan we in de Ronde van Lesbos met een korte bergrit. Het is Herman die halverwege de koers het ketting strak legt en er een snok aan geeft. Een poging van Sjoerd aan te klampen, is niet meer dan een chase patate. Herman is weliswaar leider, maar met de Koninginnerit nog voor de boeg, is de zaak allerminst beklonken. Het is tien uur als een serene rust ons kleine vertrekje vult, af en toe onderbroken door tevreden gesnurk.