Dag 7: vrijdag 23 april 2015

 

De laatste dag. Het eind van een prachtige week is nabij. Vandaag is alles bonus besluiten we, en dalen af naar Vrisla voor een kloeke kuiertocht. Uiteraard via Skala Kalloni waar we op een parkeerplek, omzoomd door eucalyptusbomen, op zoek gaan naar de dwergooruil. Een eerder bezoekje hier bleef vruchteloos, maar volgens betrouwbare bron zouden zich hier toch zeker zes exemplaren schuilhouden. En laat nou net degene met min acht, ondergetekende dus, het eerste uiltje kunnen aanwijzen. De vogel, wonderschoon van lelijkheid, heeft zich tegen een stam geschurkt en kijkt ons gepikeerd aan. Zijn rust is verstoord, zijn fenomenale camouflage ten spijt. Een camouflage waardoor het bijna onmogelijk is vast te stellen waar de uil begint en de boom ophoudt, en omgekeerd. Het zal voor ons bij deze ene uil blijven, zijn makkers - vrijwel zeker aanwezig – zien we niet.

 

We reizen verder naar Visla en zien onderweg een troep van zeker honderd Spaanse mussen en een zingende Europese kanarie op stroomdraad. Rond Visla steken we aan voor koffie met tosti’s. Hier ligt ook het startpunt voor ons wandeltocht. Een tocht van dik tien kilometer langs bos, heuvels en zee. Een prachtige tocht, maar veel nieuwe vogels zien we niet. Het warme weer en het tijdstip van de dag (rond het middaguur), zullen hier debet aan zijn. Op de terugreis bezoeken we de zoutpannen van Polichnitos, Skala Kallonies kleine broertje. We zien slechts een tweetal  futloze strandplevieren, bijna aan het oog onttrokken door de trillend hete lucht.

 

Net als we willen vertrekken, ontmoeten we een Groninger. De man heeft ons telescoop gezien en komt polshoogte nemen. Zelf is hij meer een ‘pieperman’ en stelt ons voor hem te volgen naar de rand van het zoutmeer. Hier zien en horen we op zijn aanwijzingen de duin- en roodkeelpieper. Voor ons doen – alle ondefinieerbare bruine vogeltjes doen we af als pieperrommel – niet slecht. Het is mooi geweest, zon en wandeling hebben hun tol geëist en we rijden rechtstreeks naar huis. Onderweg maken we opmerkelijk weinig stops; het hoofd is bij de allesbeslissende rit in de Ronde van Lesbos. Waarlijk een koninginnenrit: het parcours slingert zich over de pieken van zowel de Alpen als de Pyreneeën. Op de flanken zeker vijftien door Sjoerd en mij opgeworpen tussensprints; een wanhopige poging de ontketende Herman nog te temmen. Maar in dit spookachtige decor met louter Hors-Categorie-bergen is het Santema die controleert, ons met een handjevol bonificatieseconden lijmt, op de meet zijn shirt rechttrekt, zich door blonde stoten laat kussen en champagne ontkurkt. Nog eenmaal proosten we. Op ons, het leven en op Lesbos.