Witte kwikstaart

Her en der zijn ze er nog, de witte kwikstaartjes. Vooral daar waar aarde door mens of dier wordt beroerd, zoals in deze paardenbak bij Workum. Dan zijn kwikstaarten er als de kippen bij om het opstuivend insectenspul – of dipterendom zoals Thijsse zo prachtig zegt - te vangen. Thijsse heeft ze zelfs een mol zien begeleiden, ‘die een halven decimeter onder de oppervlakte zijn tunnel boorde, den grond deed splijten en zoo voor onzen kwikstaart menig lekker hapje tevoorschijn bracht […]’. Aan dit volgen van mens en dier dankt hij namen als akkermannetje, bouwmannetje, paardenwachtertje, koewachter en ploegdrijvertje. En het laatste en mooiste voorbeeld over het boumantsje als ‘schaduw’ van de mens is weer voor Thijsse, wiens bloemrijk taalgebruik voor mij nog niets aan kracht heeft ingeboet: “Een van de meest moderne bezigheden van het vroolijke vogeltje is zijn deelneming aan veldsport. Wanneer onze dappere elf- en twaalftallen op de half kaalgetrapte wei elkander het kampioenschap betwisten in voetbal-, korfbal- en hockey-vaardigheid, dan zijn de looze kwikstaartjes erbij, om de verschrikte wormen, larven en kevertjes voorgoed van ongerustheid te bevrijden. Ik heb daar dikwijls met innig genoegen naar staan kijken.” En bij die laatste zin sluit ik mij 'volgaarne' aan!

Archief